Home    NL    Informatie    Stadsgedichten 2009

Stadsgedichten 2009 

Leugenvinger


Grote kabouters. Ze bestaan. Vet en zwart als
roet van overzee. Er staat er één op het plein.
Hij eet de hemel en verwijt ons met zijn dikke
leugenvinger ons aardse paradijs.

Te veel is te veel.
Moeten we gered worden?
Een, samen, eenzamen?

Een kunstwerk dat niet verkocht wordt
is geen kunst, oordeelde ooit Rudi Fuchs
en oeps! daar kwam hij dan, de reuzenpatser
hunkerend naar vliegenzwammen.

‘Kijk, papa, een kerstboom!’
roept een meisje met grote ogen. 
Ik kreun.

Aan de overkant rijdt een agent te paard.
De blinde en de lamme trekken voorbij,
lampen floepen aan, de avond is gevallen.
Nu nog een vervroegde hemelvaart.

 

Jana Beranová
stadsgedicht 2009

Gepubliceerd als Gedicht van de Maand in alle Rotterdamse bibliotheken, in boekhandels, café's en andere openbare gelegenheden. In groot formaat te zien in het stadsdichterskastje aan de muur van de Coffee Company op de hoek Oude Binnenweg/Eendrachtsplein. Zie: Nieuws/Gedicht van de Maand

 

De rivier stroomt naar zee

 

De brug heeft een hoofd, daar sta ik op.
De boog is een belofte.

De rivier draagt ranke aken op haar rug
en aan haar flanken schiet de stad recht
naar de sterren, maar breek haar de bek

niet open. Ze is het brood, ze is het zout.
Zij is ook het mes dat de stad in tweeën snijdt.

Ik vaar met haar
naar de achterwijken in haar buik,
de polsslagen van de bonte culturen,
omdat water onderhuids ook tere
plekken raakt, bedompte muren.

Aan de oever staat een vrouw uit leem.
De waakmoeder met sterke borsten.

Ze schuwt het vreemde niet. Steekt
de Jordaan over. De Nieuwe Maas.
Er is geen tijd voor pas op de plaats.

De rivier stroomt naar zee,
fluistert dag en nacht
in alle talen van onze stad.

 
 Jana Beranová
stadsgedicht 2009    

Gepresenteerd tijdens het 13e Lezersfeest op zaterdag 7 nov 2009.  Wordt eind december gepubliceerd als ansichtkaart. Gratis te verkrijgen bij o.a alle Rotterdamse bibliotheken.

 

Stamboomringen

Zegt de uil tegen de haan: De zon is niet
belangrijk, die moet je niet bezingen.
Zo
bleef het gezellig donker in het gedicht.

Gekker moest het niet worden. Dus sloot
een andere dichter een pact met de zon.
Zon komt op/ hele wereld rood/ ik ook.
Dauwtrappend vierden we het.

De toppen van Macchu Picchu rezen voor ons –
op kussentjes op de vloer in de Doelen – tot aan de sterren.
In het land van dwergen zijn bergen koning,
zei je ooit tegen me, liefje,
jij reus, ik maar 1.64 m. 

Op een eiland in de Westersingel staat
de boom van de onbekende dichter. Hoezo?
Er was toch niemand gesneuveld? Of wel?

Breyten kreeg in het cachot
een dun matras en een beetje maan
en het gedicht schaamde zich.
Ja, het schaamt zich een gedicht te zijn
en geen schot
– de Keizer van de vijftigers
had dat veel liever gehad.

Poëzie is een bananenschil
onder de voeten van Het Systeem.  

Godzijdank, Irina, zit jij niet meer gevangen
in het gigantische schaakbord. 

De boom krijgt elk jaar een nieuwe kroon, 
de bladeren praten onophoudelijk.
Is het borderline? Ben ik een poëzieadept?
We hebben ruimte nodig net als liefde,
fluisteren ze.

Gaandeweg, ja gaandeweg spreiden ze
hun vleugels voor A foggy day in Rotterdam.

Staat een dichter in de totaal witte kamer
stil in gras dat niemand gezaaid heeft.
Gras, zomaar.

En onze tong staat stijf van verwondering.
De trillende haartjes op de penis van een hert,
trillen op de penis van een hert.

Dichters zetten woorden op een rijtje,
zodat alles anders lijkt dan daarvoor.

Is liefde een ui met duizend rokken?
We gaan leven en luieren tot het gaat sneeuwen.
Kun je twee zonnen zien in één oogopslag?
Vijf misschien zoals de Chinezen zien?
Kan de steen bloeien?

We groeien als ringen in de stam
van de poëzieboom van Rotterdam
Het zijn er al veertig. 
Poetry slam! Championship!

Dichters zijn bouwvakkers,
de stad gedijt onder hun handen.
Soms fluiten ze als ik langskom.

Maar die man met dat versleten jasje
aan wie ik ooit de weg vroeg heb ik niet gevonden.

O, een jongeman spreekt me aan.
Een toerist die zegt dat hij verdwaald is. 
Ik geef je een gedicht, zeg ik,
een evergreen van Jules:
Als ik mijn ogen toe doe
ben ik op Honolulu

Hij kijkt niet begrijpend. Ik doe een gooi.
‘When you close your eyes
you are in paradise'

Hij slaat zijn ogen neer,
steekt beide handen uit.


Jana Beranová
 bij het 40e Poetry International Festival

------------------------------------------------------------
citaten: Reiner Kunze, Bert Schierbeek, Lucebert, Irina Ratoesjinskaja, Gerrit Kouwenaar, Boris Ryzji en Jules Deelder.
‘ui met duizend rokken’ is een knipoog naar Jehuda Amichai, ‘twee zonnen’ naar Maria Barnas, ‘Kan de steen bloeien?’ naar Arjen Duinker en ‘die man met dat versleten jasje’ naar Makoto Ooka.
‘De toppen van Macchu Picchu’ is een bekend gedicht van Pablo Neruda, ‘A foggy day in Rotterdam’ van Cor Vaandrager, ‘totaal witte kamer’ is de titel van een dichtbundel (2002) van Gerrit Kouwenaar.

zie ook de Engelse vertaling door Willem Groenewegen / English translation by Willem Groenewegen

De stad en het feest

Het park heeft alle laden uitgetrokken
de bomen ruisen in duizenden tonen
de regen had met groene tong gepraat

je bent wie je bent: wild en mak
misschien nog een beetje vreemd
kleiduif  lokeend  zwarte roos

de trompet is een dampend paard
en de gitaar roert elke snaar
zodra de zon uit pure vreugde groet 

Dag feest in het park dat park heet
Dag dichters in ’t groen
rijkelijk als een smakelijke dis

Dag verleden, weggestopt
in de houten carrousel waarin
we uit bomen lijken te komen

mijn moeder staat haar berk
mijn vader vult zijn brede beuk
maar wie is die wilg daar

verderop die met haar tenen
het water peilt waar de bodem
herinnert aan vroegere kou

midden in een feest
in een park waar het gras
steeds opnieuw vol kracht staat

in een stad die ik ken

 

Jana Beranová
bij Ortel Dunya Festival Poetry Park


Gepubliceerd in het AD/RD van 2 juni

 

Stadsgedicht n.a.v. 150-jarig bestaan van het Rotterdamsch Leeskabinet

  

………..

Ze zijn de monden van dit huis.
In mei bloeien ze tweemaal zo groot.

Leg ze, boek voor boek, één band
voor elk land, tot een prachtgedicht.

Herhaal het vers in honderdvijftig
talen. Hoor hoe divers.

Het hoofd bewaart wat niet verloren gaat.
De mond geeft genade door.

Bedenk hoeveel letters leegte vullen
om honger te stillen, treurnis te villen, 

verlangen te verlengen.

Soms verstoppen ze de achterkant
van hun tong, de doerakken!

 ………………………………..

 Weerloos ben ik.

  

Jana Beranová
Rotterdamsch Leeskabinet 150 jaar


Gepubliceerd in het AD/RD van 19 mei

 

14 mei 1940


Ze verbrandden steden als grofvuil.

Hun handen hingen schuil achter helse

machines. Rouwnagels zonder rouw.


Geen graven. Alleen raven als roet.

En rook voor de zon.

 

Pijn verdicht tot een stille schreeuw

blijft voorgoed in ons haken.

Ik ken die schreeuw. Wie zijn

 

verleden niet kent,

begrijpt de toekomst niet.

 

Glimlachend ademt de stad.

Bij het slaande hart waar ooit een gat was,

bij deze smekende armen, zweren we nu.

 

De woorden zijn gloeiende

gloeiende kooltjes in ons oog:

nooit meer haat

 

Jana Beranová
Geschreven voor de herdenking op 14 mei 2009


Gepubliceerd in het AD/RD van 15 mei